Yang Hai zeulde de zware kar achter zich aan. Het hele jaar werkte iedereen in de stad naar dit moment toe. De zon stond hoog, het was warm, en hij hoorde de honden piepen. Rotbeesten, dacht Hai. De uitgemergelde mormels in zijn kar waren de straathonden uit de omgeving, de honden die de goede honden beten, die hun eten stalen en die hun oogst verwoestten. Dat er door Hai af en toe per ongeluk een huishond meegenomen werd, dat nam iedereen maar voor lief. Met het feest in het vooruitzicht, leek Yulin een vriendelijk en liefdevolle stad te worden.

‘Waar zijn de honden?’ blafte Xin hem toe. Hai negeerde hem en liep door de winkel naar de koeling om een fles water de pakken. Zijn broer blafte altijd, en hij had soms de neiging om hem, samen met de andere honden, aan het spit de hangen. Xin liep naar buiten en zag de kar staan. Hai liep naar hem toe. ‘Een paar zijn al dood door uitdroging, dat scheelt ons weer wat rotwerk’. Xin knikte langzaam, en Hai dacht ergens in zijn gezicht teleurstelling te zien.

De straten waren overvol en boven het geschraap en gekraak van karren en het gepiep van autobanden en honden klonk een opgewekt gekakel. Iedereen was vrolijk, en Hai nam het ze niet kwalijk. Het was prachtig weer in Yulin. De chronische grijze lucht had een pauze ingelast en de zon stond hoog aan de blauwe hemel. Met zijn blik half op de blauwe lucht, half op zijn tegenliggers, trok hij de kar vooruit naar de achterkant van de winkel. Xin had de kooien al klaargezet. Tien kooien, vier honden per kooi. Als hij goed geteld had, had hij veertig honden meegenomen, dus dat kwam goed uit. Hij trok zijn handschoenen aan en pakte zijn puntige stok, die hij gebruikte om de honden rustig te houden, als ze überhaupt nog de energie hadden om zich te verzetten tegen Hai’s greep.

Systematisch en gestructureerd ging Hai aan het werk. Hij deed dit al zestien jaar, sinds zijn achtste, dus hij hoefde er nauwelijks nog bij na te denken. Met een blik in de kar zag hij meteen welke honden goed waren, en welke minder goed. En zo verdeelde hij ze in de kooien. Hij zorgde ervoor dat iedere kooi eerlijk opgevuld was. Toen hij klaar was, laadde hij acht van de tien kooien met honden weer in de kar, en trok de kar weer naar de voorkant, door de straten. Al zwetend bezorgde hij de honden bij restaurants en slagers, die hem al lachend betaalden.

De volgende dag was het zover. Iets voor twaalf uur ’s middags, terwijl de zon op zijn hoogst stond, liep iedereen de straat op. Hai wist dat overal door Yulin mensen buiten stonden, wachtend tot het twaalf uur was. Om twaalf uur zou de eerste hond geslacht worden, en zou het feest beginnen. Omdat Yulin te groot was om alle inwoners op een plek te laten verzamelen, had iedere straat zijn eigen opening. Dit jaar mocht Kim, Hai’s jongere broertje, het feest in hun straat openen.

Het was een paar minuten voor twaalf, en Kim was nog nergens te bekennen. Hai vloekte in zichzelf en liep naar voren om te kijken of Kim zich misschien had bedacht. Eenmaal vooraan de menigte, waar hij verwacht had Kims angstige hoofd te zien, hoorde hij zijn naam. Kim kwam aangerend. Gelukkig, dacht Hai, Kim zou met te laat komen de hele familie voor schut hebben gezet.

‘Hai, Hai!’ riep Kim. Hai wenkte geïrriteerd dat Kim sneller moest rennen.

‘Je was bijna te laat,’ siste Hai.

‘Hai, het feest gaat niet door! Het mag niet doorgaan.’

‘Kim, je kunt je nu niet meer terugtrekken. Vil die hond,’ fluisterde Hai hard.

‘Dat wil ik wel, maar het mag niet!’

Hai keek Kim verbaasd aan, en het begon hem te dagen dat Kim helemaal niet bang was.

‘Hai, duizenden Nederlanders hebben een petitie getekend, dus nu mag het feest niet meer doorgaan!’

‘Echt? Wow, dat is echt wel heel erg kut,’ mompelde Hai, ‘maar als dat echt zo is, dan mag het inderdaad niet doorgaan.’

Kim keek Hai schuldig aan. ‘Wil jij ze het vertellen?’

Hai legde een arm op Kims schouder en knikte rustig. Vervolgens klom hij op de verhoging waar Kim op had moeten staan, en sprak hij zijn buren toe. Met het nieuws dat Nederlanders een petitie hadden getekend, begon iedereen te jammeren. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en al gauw was heel Yulin in weemoed. De speciaal voor het feest opgezette eettentjes werden in teleurstelling afgebouwd en met tegenzin werden de honden losgelaten. Die middag, terwijl de duizenden honden langzaam over de straten uitstroomden, gleden de inwoners van Yulin hun donkere, grijze huizen weer in. Volgend jaar gingen ze het gewoon nog een keer proberen, en dan maar hopen dat er niet weer een petitie werd gestart.