wypkje

bloggen op laag niveau

Badpak

Veertig minuten te vroeg ben ik op het station. Het regent, het waait, het is koud. Ik pak mijn ov-kaart alvast uit mijn portemonnee en check in. Het bankje lokt me en ik ga er zitten. Beschut, dus ik pak mijn boek uit mijn tas en probeer te lezen, maar het lukt niet. Mijn portemonnee ligt nog naast me, ik stop mijn boek terug in mijn tas en aai het beursje. Het is een lichtblauw, fluwelen beursje. Als je ‘m beweegt lijken het net voorbijdrijvende wolken in de schemering van een winteravond, zo een als vanavond. Ik had vroeger een blauw badpak, met een fluweellook. Ik ben nooit blijer geweest met iets.

Het badpak kocht ik op de Voorstreek. Ik was een jaar of negen. Andere meisjes hadden bikinietjes, maar ik vond mezelf te dik. Ik woog waarschijnlijk een halve kilo meer dan een doorsnee negenjarige in de jaren negentig, maar ik was vijf centimeter langer en in plaats van mijn extra pondje daaraan te wijten besloot ik dat het het vet op mijn buik moest zijn. Waar deze waan vandaan kwam, dat is mij een raadsel. Ik werd grootgebracht met bruine boterhammen en eten wat de pot schaft. Snoeperij en zoete meuk was enkel in het weekend en dan nog in mondjesmaat. Maar ik was een algemeen onzeker kind en eerlijk is eerlijk, als ik heel hard in mijn buik kneep, zag ik toch echt een vetrol.

Goddank voor mijn onzekerheid, want het bracht mij bij mijn badpak. Het mooiste badpak dat ik ooit had gezien. Ik paste ‘m aan in de winkel. Hij zat zo mooi, en als ik bewoog zag ik het water over mijn buik golven. (Of was dat die vetrol weer?) Ik had mijn onderbroek er nog onder aan, waardoor het net leek alsof ik een pamper aanhad en daar schaamde ik me voor, maar wat was het badpak mooi. Ik kon me voorstellen dat ik er in het water als een zeemeermin uit zou zien. Een waternimf met schubben, die door de golven gleed door haar aerodynamische outfit. Ik haastte de paskamer in een kleedde me om. Ik mocht ‘m hebben van mijn moeder. Ze telde zevenentwintig gulden neer voor mijn eeuwige geluk.

Die nacht sliep ik erin, en de volgende dag droeg ik het badpak onder mijn kleren naar school. Ik trok mijn hemd omhoog om mijn zeeïge pracht aan mijn vriendinnen te laten zien. Ze mochten zelfs voelen. Niemand had zo’n mooi badpak als ik. Niemand had zó’n lieve moeder die zó’n mooi badpak voor hen kocht. Ik keek uit naar de eerste verjaardag van een klasgenoot, die zijn feestje misschien wel in het zwembad hield. Van mij mocht het in de kerk zijn, dat maakte niet uit, zolang op de uitnodiging maar stond: “Ik zeg niet wat we gaan doen, maar neem wel zwemkleding mee!”.

Eigenlijk wilde ik niet met mijn badpak zwemmen in het zwembad. Door de chloor zou de diepblauwe kleur verbleken en was ik lang niet zo’n mooi waternimfje meer. Maar het was koud, en het regende, dus buiten zwemmen zat er voorlopig nog niet in. Ik zwom in het zwembad en ik dook metersdiep. Ik liet mijn lichaam golven als een dolfijn, klapperend met mijn staart. Ik ging naar huis met natte haren en een warm hart. Maar mijn badpak verkleurde, en na een tijdje sliep ik er niet meer in en droeg ik het niet meer onder mijn hemd. Het had de kleur gekregen die mijn portemonnee nu heeft. Niet meer een woeste zee, maar een rustige winteravond.

 

«

© 2019 wypkje. Thema door Anders Norén.